Eerste lid
De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat bijstand wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.
Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken zoals:
een onverantwoorde besteding van vermogen;
geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering.
Tweede lid
In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende korte of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven.
Derde lid
De verplichting om zich voldoende in te zetten voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een IOAZ-uitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag onvoldoende heeft ingezet, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een IOAZ-uitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de uitkering hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.
Uit de artikelen 25 en 31 IOAW in verbinding met artikel 9 IOAW volgt dat de uitkering als bedoeld in artikel 25 IOAW van de belanghebbende bruto wordt teruggevorderd. Het staat het college niet vrij de terugvordering te beperken tot het netto bedrag aan uitkering (zie CRvB 11-03-2009, nr. 07/6090 WWB).
Vierde lid
In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval gelijk aan het bedrag dat niet als grondslag verleend had hoeven worden als belanghebbende zich wel voldoende had ingezet.
De bedragen zijn een factor 0,22 hoger dan de bedragen in het tweede lid: de bruto IOAW-grondslag ligt gemiddeld 22% hoger dan de toepasselijke bijstandsnormen (inclusief vakantie-uitkering).
Vijfde lid
Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden.
Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De belanghebbende wordt of door de gemeente, of door de strafrechter gesanctioneerd. Niet door beiden.
In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan worden toegepast.
In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun.
Algemeen
De IOAW kent geen algemene bepaling met betrekking tot tekortschietend besef of onvoldoende inzet.
De gedraging als genoemd in artikel 20 lid 1 van de IOAW komt tot uiting in artikel 9 lid 1 van deze verordening.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 15.