Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3:

Artikel 3:6

– Participatieplaatsen

Onderdeel van Participatieverordening WWB 2012

1.. Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht in de vorm van een Participatieplaats conform artikel 10a, zesde lid van de wet, een premie uitgaande van 25% van het in artikel 31, tweede lid, onder n, van de wet genoemde maximale vrijlatingsbedrag per maand. 2.. Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid, wordt elke zes maanden beoordeeld. 3.. De premie wordt geweigerd indien naar het oordeel van het college blijkt dat in de voorgaande zes maanden de belanghebbende de aan de Participatieplaats verbonden verplichtingen heeft geschonden dan wel dat belanghebbende onvoldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op arbeidsinschakeling. 4.. Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de Participatieplaats door het college bekeken in hoeverrescholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kansen op arbeidsinschakeling. 5.. Het college betrekt bij deze beoordeling: a. het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de Participatieplaats uitvoert; b. de scholingswens van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel