Gemeenteambtenaren hebben na eervol ontslag, op schriftelijke aanvrage volgens art. 9, aanspraak op pensioen – voorzoover bij hunne aanstelling aanspraak op pensioen niet uitdrukkelijk is uitgesloten of voor hunne betrekking eene pensioenregeling niet is gemaakt bij de wet, uitgezonderd 1°. de Ongevallenwet 1901, en 2°. de wet van 5 Juni 1905 (Staatsblad no. 154), voorzoover betreft de op 1 Januari 1906 in dienst zijnde tijdelijke leeraren en leeraressen, zoolang zij geen burgerlijk ambtenaar zijn in den zin der wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren – zulks indien zij:
door den Raad zijn aangesteld in een betrekking, die krachtens Raadsbesluit niet door personen boven een daarbij vastgestelden leeftijd mag worden bekleed, een diensttijd van tenminste 10 achtereenvolgende jaren hebben vervuld en den in het Raadsbesluit vastgestelden leeftijd hebben bereikt;
mannelijke ambtenaren zijnde, na een diensttijd van tenminste 25 jaren den leeftijd van 65 jaar, of, vrouwelijke ambtenaren zijnde, na een diensttijd van tenminste 20 jaren den leeftijd van 60 jaar hebben bereikt;
na een diensttijd van tenminste 5 achtereenvolgende, onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande jaren door ziekte of lichaamsgebreken van blijvenden aard ongeschikt zijn hun betrekking bij voortduring waar te nemen, op grond daarvan ontslag hebben verkregen en – tenzij zij vóór 1 December 1886 of door den Raad waren aangesteld – bij hun aanstelling den leeftijd van 40 jaar nog niet hadden bereikt;
ongeschikt zijn hun betrekking bij voortduring waar te nemen tengevolge van een ongeval, hun in verband met de uitoefening van hun dienst overkomen, behalve indien het ongeval te wijten is aan opzet, dronkenschap of ander plichtverzuim.
Voor de toepassing van het sub c bepaalde worden met de door den Raad aangestelde gemeenteambtenaren gelijkgesteld de hoofdcommissaris en de commissarissen van politie en worden elke 312 werkdagen, door een gemeenteambtenaar in twee achtereenvolgende jaren in den dienst doorgebracht, met één dienstjaar gelijkgesteld, mits daarop onmiddellijk één jaar onafgebroken dienst zij gevolgd.
Hoofdstuk
Artikel 61.Dit artikel is gewijzigd vastgesteld bij Raadsbesluit van 18 Juli 1907, opgenomen in Gemeenteblad n°. 37 van 1907 en in werking getreden den 1en Januari 1906; de laatste alinea is nader gewijzigd bij Raadsbesluit van 6 Februari 1908, opgenomen in Gemeenteblad n°. 10 van 1908
Artikel 61.Dit artikel is gewijzigd vastgesteld bij Raadsbesluit van 18 Juli 1907, opgenomen in Gemeenteblad n°. 37 van 1907 en in werking getreden den 1en Januari 1906; de laatste alinea is nader gewijzigd bij Raadsbesluit van 6 Februari 1908, opgenomen in Gemeenteblad n°. 10 van 1908
Onderdeel van Verordening op de pensioenen en wachtgelden