Gemeenteambtenaren, die in meer dan één betrekking een bezoldiging genieten als bedoeld in art. 2, hebben, na eervol ontslag uit één dier betrekkingen en bij behoud der andere, aanspraak op pensioen uit gene, indien zij daarop volgens art. 6 aanspraak zouden gehad hebben, ingeval zij die betrekking alleen bekleed hadden.
Gemeenteambtenaren, aan wie in dienst der Gemeente eene rente als bedoeld in art. 21 sub b der Ongevallenwet 1901 is toegekend, wanneer deze rente (krachtens besluit van Burgemeester en Wethouders) niet in mindering komt van hunne bezoldiging, en die hetzij in gemeentedienst zijn gebleven of wel daarin zijn herplaatst, worden geacht voor dat deel hunner bezoldiging, waarover volgens de Ongevallenwet 1901 de rente is berekend, uit den gemeentedienst te zijn ontslagen en van gemeentewege pensioen te hebben verkregen.2.Het tweede lid is toegevoegd bij Raadsbesluit van 9 Maart 1911, opgenomen in Gemeenteblad no. 9 van 1911