Naar hoofdinhoud
1.. De verrekening, bedoeld in het derde lid van artikel 19 van de overeenkomst van 17 December 1889, en de betalingen, bedoeld in het eerste en in het tweede lid van artikel 22 van de overeenkomst van 27, blijven achterwege, in verband waarmede de overgang in eigendom aan de Gemeente van de inrichtingen, waarop de aangehaalde artikelen der genoemde overeenkomsten betrekking hebben, geacht wordt niet te hebben plaats gevonden. 2.. Partijen stellen vast, dat de Gemeente op grond van de in het vorige lid aangehaalde bepalingen aan N.S. had moeten betalen voor de werken en inrichtingen op de linker maasoever en op de rechter maasoever tezamen een bedrag van ƒ 3.924.605,–. Indien de in artikel 1 bedoelde sporen en gebouwen met de bijbehorende werken en inrichtingen niet waren meegerekend, zou de daarin voor de rechter maasoever begrepen som ƒ 241.125,– minder bedragen en zou het totale bedrag voor de linker- en rechter maasoever worden teruggebracht tot ƒ 3.683.480,–. 3.. De bepaling van de in het tweede lid genoemde bedragen is geschied door partijen zelve, zulks voor wat de linker maasoever aangaat in afwijking van de betreffende overeenkomst. Voor wat de na te noemen zaken betreft, is uitgegaan van de volgende maatstaven: De waarde van de bovenbouw der sporen is gelijk gesteld aan de kosten van aanleg van de bovenbouw en van levering van de ballast, een en ander berekend volgens de op 31 December 1938 geldende eenheidsprijzen, vermeerderd met vijf en zestig procent (65 %) van de kosten van levering van overeenkomstige nieuwe materialen (zonder de ballast), berekend, voor zover mogelijk, aan de hand van de door N.S. voor het jaar 1938 vastgestelde prijslijst voor bovenbouwmaterialen. De kosten van levering van de ballast zijn slechts meegerekend voor zover de ballast is bekostigd door N.S. of haar rechtsvoorgangsters (de N.V. Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij en de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen). De waarde van de beveiligingsinrichtingen is gelijk gesteld aan de kosten van leveren en aanbrengen van nieuwe beveiligingsinrichtingen, berekend volgens de op 31 December 1938 geldende eenheidsprijzen. De waarde van de gebouwen is gelijkgesteld aan vijf en zestig procent (65 %) van de kosten van oprichting, berekend volgens de op 38 geldende eenheidsprijzen. 4.. De Gemeente draagt in eigendom over aan N.S., die in eigendom overneemt, tegen betaling door N.S. aan de Gemeente van de na te noemen bedragen, verhoogd met vier procent (4 %) rente ’s jaars, gerekend van 41 tot en met de dag der betaling: voor ƒ 58.840,–: dat gedeelte van de bovenbouw der op de linker maasoever aanwezige sporen, hetwelk op grond van het eerste lid van artikel 19 van de in de aanhef aangehaalde overeenkomst van 89 geacht moet worden eigendom van de Gemeente te zijn; voor ƒ 38.081,59: spoor en 4 wissels, deel uitmakende van het spoor, lopende van de Waalhaven naar de Vondelingenplaat+ voor ƒ 1.233,–: spoor, liggende in de Tweestedenstraat; voor ƒ 173.660,–: het door de Gemeente bekostigde gedeelte van de ballast, behorende, hetzij tot de in het 3e lid onder A bedoelde sporen, hetzij tot de hierboven onder I en II bedoelde sporen, zulks voor wat het onder I bedoelde spoor betreft met dien verstande, dat het deel van de ballast, waarvan de waarde is begrepen in het bedrag van ƒ 58.840,–, niet is meegerekend. 5.. De in het vorige lid onder II en III genoemde bedragen zijn berekend naar de in het derde lid onder A. aangegeven maatstaven, zulks met dien verstande, dat de kosten van levering van de ballast slechts zijn meegerekend voor zover de ballast is bekostigd door de Gemeente. 6.. Van de in de eerste zin van het tweede lid en in het vierde lid bedoelde werken en inrichtingen, voor zover deze op 41 nog aanwezig waren en niet behoren tot de in artikel 1 bedoelde sporen en gebouwen met de bijbehorende werken en inrichtingen, wordt de waarde, welke zij op genoemde datum tezamen hadden, gelijkgesteld aan de som van het in de tweede zin van het tweede lid genoemde totale bedrag en de in het vierde lid genoemde bedragen, te weten ƒ 3.955.294,59, zijnde hierin begrepen ƒ 3.875.402,59 voor de sporen en ƒ 79.892,– voor de spoorwegwerken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel