Naar hoofdinhoud
1.. De leiding van de repressieve brandbestrijding aan boord van vaartuigen in de havens en in andere bevaarbare wateren alsmede op de haventerreinen berust bij de commandant. Hij is verantwoordelijk voor de brandblussing. Hij wordt hierin bijgestaan door de havenmeester die hem ongevraagd en desgevraagd adviezen verstrekt, vooral met betrekking tot de nautische aspecten in de ruimste zin. 2.. Indien aan boord van een brandend vaartuig gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of vermoedelijk aanwezig zijn, zal de commandant met de havenmeester overleggen over de optimale brandblussing. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de door de havenmeester te verstrekken gegevens omtrent de aard van de gevaarlijke stoffen, de stuwage en het mogelijke gevaar voor de omgeving. 3.. Indien tijdens de repressieve brandbestrijding direct gevaar ontstaat voor het kapseizen, zinken of ongewenst aan de grond komen van het vaartuig waar de brand woedt, berust de verantwoordelijkheid met betrekking tot de hiervoor te nemen maatregelen bij de havenmeester. De commandant dient hem ongevraagd of desgevraagd van advies. 4.. Indien een blusvaartuig arriveert nabij de plaats van een vaartuig waar brand woedt voordat de commandant aanwezig is, vangt dit na overleg met de dienstdoende officier van de Havendienst en de dienstdoende controleur gevaarlijke stoffen met de brandblussing aan. Alsdan is de havenmeester verantwoordelijk voor de brandbestrijding. De commandant wordt zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van de genomen maatregelen. Zodra de commandant ter plaatse is, neemt hij de leiding en daarmede de verantwoordelijkheid over.

Rechtspraak bij dit artikel