Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.0 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, of
problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en algemene hulp bij huishoudelijke verzorging dit snel en adequaat kan oplossen.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.0 onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als
de in artikel 3.0 onder a. genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of
niet beschikbaar is.