Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f van de wet waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 3.4, eerste lid van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening:
De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 5.1, onverwijld melding van:
iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden;
geweld bij de verstrekking van een voorziening.
De aanbieder en de beroepskrachten die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn.
Persoonsgegevens als bedoeld in het tweede lid, ten aanzien waarvan de aanbieder of de beroepskracht op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht, worden uitsluitend zonder toestemming van betrokkene verstrekt, indien deze niet meer in staat is de toestemming te geven dan wel dit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van cliënten.
In artikel 5.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover in die woning aan een cliënt een maatwerkvoorziening wordt geleverd.
De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossiers.
Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader een melding als bedoeld in artikel 3.4, gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 4.2.3.
In de verordening Jeugd is hierover het volgende opgenomen:
Soms hebben calamiteiten waarbij kinderen betrokken zijn grote impact op de lokale gemeenschap. Gemeenten kunnen direct aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid bij eventuele calamiteiten en geweld. Wij sluiten voor de aanpak over de wijze waarop hiermee wordt omgegaan aan bij het bestaande calamiteitenprotocol van de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland. Wij stellen een calamiteitenprocedure op, die aansluit bij de verantwoordelijkheden op lokaal niveau en is afgestemd met de calamiteitenprotocollen van aanbieders.
Overeenkomstig het tweede lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
De keuze voor het delegeren van deze zaken vloeit voort uit het algemene uitgangspunt dat er zoveel mogelijk flexibiliteit moet zijn voor een efficiënte uitvoering. Op basis hiervan stelt het college nadere regels met betrekking tot de meldingsregeling.