Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4.

Inrichting accountantscontrole

Onderdeel van Controleverordening 2012

1.. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden. 2.. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan de controlewerkzaamheden zonder voorafgaande kennisgeving uitvoeren. 3.. De accountant bespreekt de accountantscontrole vooraf met de raad of de werkgroep accountant uit de raad. 4.. Ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende accountantscontrole vindt waar nodig periodiek (afstemmings)overleg plaats tussen de accountant en: de werkgroep accountant, de portefeuillehouder financiën, de griffier, de gemeentesecretaris, andere vertegenwoordigers van de ambtelijke organisatie en (een vertegenwoordiger van) de rekenkamer.

Rechtspraak bij dit artikel