1. Het salaris van de medewerker wordt, zolang het maximumbedrag van de salarisschaal waarin zijn functie is ingedeeld, nog niet is bereikt, verhoogd met een periodieke verhoging, indien hij hetzelfde salaris gedurende één jaar heeft genoten.
2. Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid en dienstijver kan het college besluiten de in het eerste lid bedoelde periodieke verhoging niet toe te kennen.
3. De medewerker aan wie de periodieke verhoging op grond van het tweede lid niet wordt toegekend ontvangt daarvan schriftelijk mededeling met vermelding van de redenen, welke daartoe hebben geleid.
4. Zolang ten aanzien van de medewerker het tweede lid toepassing vindt wordt jaarlijks door het college opnieuw bezien in hoeverre er aanleiding is deze toepassing te bestendigen.
5. Een verhindering wegens ziekte, als bedoeld in hoofdstuk 7 van de CAR is niet van invloed op het tijdstip van toekenning van periodieke verhogingen.
6. Medewerkers in dienst voor 1 januari 2011 die naar de uitloopschaal zijn bevorderd, komen in aanmerking voor de periodieke verhoging(en) in de uitloopschaal, voor zover het maximum van de uitloopschaal niet is bereikt en indien het beoordelingsresultaat minimaal “goed” is.