Na afloop van het betreffende subsidiejaar wordt aan de hand van de ingediende subsidieverantwoording de subsidie vastgesteld. De subsidie kan lager en zelfs op nul worden vastgesteld indien:
de instelling niet heeft voldaan aan de prestaties en de overige voorwaarden zoals vermeld in de beschikking tot subsidieverlening;
de instelling onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, die hebben geleid tot een onjuiste beschikking op de aanvraag;
de subsidieverlening anderszins onjuist was en de instelling dit wist of behoorde te weten;
de subsidieverantwoording niet vóór 1 april van het jaar volgend op het jaar waarvoor subsidie is verleend, is ingediend.
Indien hier reden toe is, kan de instelling via tussentijds overleg aangegeven dat prestaties niet gehaald zullen worden. Dit kan aanleiding zijn de prestatienormen bij te stellen en de subsidie evenredig aan te passen.
Teveel bevoorschotte bedragen moeten binnen dertig dagen na ontvangst van de beschikking tot vaststelling worden teruggestort.
Indien het college nalatig is en ondanks het tijdig en correct indienen door de instelling van de aanvraag tot subsidievaststelling en de subsidieverantwoording, niet binnen de termijn van vier maanden de beschikking tot subsidievaststelling heeft afgegeven, wordt de subsidie, conform het door de instelling gevraagde bedrag bij de aanvraag tot subsidievaststelling, vastgesteld. In dit geval zal de subsidie echter nooit hoger worden vastgesteld dan in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.2.
Artikel 22
Vaststelling van de subsidie
Onderdeel van Subsidieverordening Welzijn 2004