In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder;
wet: de Huisvestingswet;
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond
eigenaar: de eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet;
huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren;
woonruimte: de woonruimte als bedoelde in artikel 1, eerste lid onder b, van de wet;
zelfstandige woonruimte: woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
onzelfstandige woonruimte: de woonruimte welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
omgevingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 2.2, lid 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 30, eerste lid, onder c, van de wet, voor de activiteit het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte;
kamerverhuurpand: gebouw of een deel van een gebouw waarin onzelfstandige woonruimte wordt verhuurd aan één of meer huishoudens;