Het college kan de omgevingsvergunning intrekken indien:
blijkt dat deze ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave
is verleend;
blijkt dat vergunninghouder niet heeft voldaan aan een voorschrift
als bedoeld in artikel 6;
vergunninghouder één jaar na het onherroepelijk worden van de
omgevingsvergunning daarvan nog geen gebruik heeft gemaakt;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving
van de omgevingsvergunning zou leiden tot een verstoring van de
openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van
een geordend woon- en leefklimaat in de omgeving van het gebouw
waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft.