**1..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6. kan de burgemeester de
vergunning intrekken, indien:
**a..** aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten
bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar
opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor
het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
**b..** een leidinggevende van de inrichting toestaat danwel gedoogt,
dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
**c..** een leidinggevende van de inrichting zich schuldig maakt aan
discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;
**d..** zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van
de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een
bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
van de inrichting;
**e..** is gehandeld in strijd met het bij of krachtens artikel 2.8.9.
bepaalde;
**f..** een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met
betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking
heeft;
**g..** indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode
van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken;
**h..** indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of
krachtens deze afdeling.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 14
Artikel 2:76i
Intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Hof van Twente 2010