**1..** Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt, indien een belanghebbende
een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan, anders dan door gedragingen als bedoeld
in hoofdstuk 2 , heeft betoond de bijstand verlaagd:
met een op basis van de zich voordoende individuele
omstandigheden door het college te bepalen tijdelijke
verlaging van de bijstandsnorm, indien belanghebbende
verwijtbaar de hem opgelegde verplichtingen niet of niet
behoorlijk nakomt
met 10% van de bijstandsnorm gedurende de periode die
belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien
hij op verantwoordelijke wijze de middelen waarover hij
beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben
aangewend, met dien verstande dat deze periode niet langer
dan 36 maanden is
met 100 % van de bijstandsnorm gedurende maximaal 3 maanden
als de bijstandsafhankelijkheid wordt veroorzaakt door een
bestuurlijke boete als gevolg van het bij herhaling schenden
van een in een andere uitkeringsregeling geldende
inlichtingenverplichting, met dien verstande dat de
verlaging zal worden gematigd in de situaties als omschreven
in artikel 3 en 4 van de Verordening verrekening
bestuurlijke boete
**2..** De verlaging ingevolge dit artikel wordt toegepast met ingang van de
eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het
besluit tot verlaging aan belanghebbende wordt bekendgemaakt.
**3..** In afwijking van het tweede lid wordt de verlaging toegepast vanaf
de ingangsdatum van de bijstand indien de gedraging wordt
geconstateerd bij de beoordeling van een aanvraag.
Hoofdstuk 4.
Artikel 11
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand