Naar hoofdinhoud
1.. In het kader van de cliëntenparticipatie minimabeleid heeft de Stichting tot taak het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. 2.. Burgemeester en wethouders vragen de stichting in ieder geval om advies bij de onderwerpen als bedoeld in artikel 3. 3.. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van invloed kan zijn op het te nemen besluit. Dit houdt in ieder geval in dat: bij nieuw beleid de stichting om advies wordt gevraagd over de hoofdlijnen van dit beleid; bij evaluatie van beleid de stichting om advies wordt gevraagd bij het opstellen van vragen die ten grondslag liggen aan de evaluatie. 3.. Burgemeester en wethouders maken periodiek, doch ten minste twee keer per jaar afspraken met de stichting over: onderwerpen waarover de stichting geconsulteerd wordt; de wijze en het moment waarop de stichting in het beleidsvormingsproces wordt betrokken; het budget van de stichting op basis van de Algemene Subsidieverordening Sittard-Geleen. 4.. In het geval Burgemeester en wethouders in een voorstel aan de gemeenteraad afwijken van het advies van de stichting, wordt dit bij het voorstel vermeld, waarbij tevens is aangegeven op welke gronden van het advies van de stichting is afgeweken. 5.. Burgemeester en wethouders wijzen een vaste contactambtenaar aan als aanspreekpunt voor de communicatie met de stichting. 6.. Tussen de in het zevende lid bedoelde contactambtenaar en de stichting vindt periodiek, doch ten minste zes maal per jaar, overleg plaats. 7.. Taken en werkwijze van de contactambtenaar zullen nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit. 8.. Van overleg en afspraken met de stichting doen burgemeester en wethouders binnen acht weken schriftelijke rapportage aan de stichting. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven wat er met de door de stichting gegeven adviezen is gedaan. 9.. Burgemeester en wethouders voorzien de stichting zo tijdig mogelijk van informatie dat het van invloed kan zijn op het naar behoren functioneren van de stichting. Het betreft hier alle informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen. 10.. Indien de stichting ophoudt binnen de gemeente actief te zijn, zullen burgemeester en wethouders de totstandkoming van een vorm van cliëntenparticipatie actief bevorderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel