Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2

Artikel 2.2.5

In behandeling nemen en bodemonderzoek

Onderdeel van Bouwverordening 's-Hertogenbosch 1996

1.. Met betrekkingtot het in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, bedoelde onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid, kan het bevoegde gezag het toepassen van de bevoegdheden op grond van artikel 4:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht betreffende de in behandelingname van de aanvraag achterwege laten, indien er sprake is van een situatie, waarin het feitelijk bodemonderzoek in afwachting van sloopwerkzaamheden in redelijkheid niet mogelijk is. 2.. In het geval, waarin het bevoegde gezag toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, blijft de aanvrager met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.5 van deze verordening verplicht feitelijk bodemonderzoek vooruitlopend op de bouw te laten verrichten. In het geval, dat uit het historisch onderzoek is gebleken dat het terrein als verdacht geldt, is het bevoegd gezag bevoegd aan de op grond van artikel 8.1.1 vereiste omgevingsvergunning voor het slopen voorwaarden te verbinden die bepalen wanneer het bodemonderzoek plaatsvindt. Zo nodig legt het bevoegd gezag in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen vast, dat het feitelijk bodemonderzoek nog dient plaats te vinden en dat niet met de bouw mag worden gestart voordat is gebleken dat het terrein geschikt is voor de beoogde bouw.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel