Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014, wijziging 2019 (APV)

1.. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. 3.. Voorts geldt het eerste lid niet voor een inrichting waarin een horecabedrijf of een slijtersbedrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet, wordt uitgeoefend, alsmede de daarbij behorende open aanhorigheden en voor publiek toegankelijke plaatsen waarvoor een ontheffing, als bedoeld in artikel 35 van de Drank- en horecawet geldt; 4.. Aan de onder lid 2 en 3 genoemde vrij­stel­lingen kunnen nadere regels gesteld worden. 5.. De exploitatie van een horecabedrijf, waarop een vrijstelling als in de leden 2 en 3 van toepas­sing is, dient zodanig te geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 6.. De vergunning wordt uit­sluitend verleend­ aan en op naam gezet van de houder van de inrichting; de ver­gunning is niet overdraagbaar. 7.. Naast de houder dient er minimaal een beheerder op de vergunning vermeld te worden. 8.. Bij de aanvraag dient een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de houder(s)/beheerder(s) afgegeven verklaring omtrent het gedrag overgelegd te worden. 9.. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.

Rechtspraak bij dit artikel