Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf

Artikel 2:28b

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2014, wijziging 2020

De burgemeester kan de vergunning intrekken: a.. indien aannemelijk is dat de houder/beheerder van de inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; b.. indien de houder/beheerder van de inrichting toestaat, dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; c.. indien de houder/beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; d.. indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; e.. indien de houder/beheerder in strijd handelt met het bij of krachtens artikel 2.29 bepaalde; f.. indien de houder/beheerder in strijd handelt met de aan de vergunning verbonden voorschriften; g.. indien de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd, dan wel de exploitatie van de inrichting op zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; h.. de exploitatie voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken; i.. de houder, en/of beheerder(s) deze hoedanigheid heeft of hebben verloren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel