Een raadslid wendt zich tot de betreffende ambtenaar
met een verzoek om:
feitelijke informatie van geringe omvang;
inzage in of afschrift van documenten die openbaar
zijn.
Een ambtenaar verleent ambtelijke bijstand als bedoeld in het eerste
lid tenzij:
het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;
dit het belang van de gemeente kan schaden;
het andere bijstand dan omschreven in het eerste lid
betreft;
de taakuitoefening van de betreffende ambtenaar hierdoor
aanmerkelijk zou worden belemmerd en het schriftelijke
advies en/of de ambtelijke bijstand niet tot geringere, meer
aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht.
Indien de ambtenaar van oordeel is, dat een van de uitzonderingen,
genoemd in het tweede lid, van toepassing is, meldt hij dit aan de
directeur van het programma. Indien de
directeur van oordeel is dat het verzoek geweigerd moet worden,
richt hij zich tot de secretaris. De secretaris beoordeelt of
ambtelijke bijstand op grond van het tweede lid geweigerd wordt.
Indien de bijstand op grond van het tweede lid wordt geweigerd deelt
de secretaris dit met redenen omkleed mee aan de raadsgriffier en
aan het raadslid dat het verzoek heeft ingediend.
Paragraaf 1
Artikel 1
(gewijzigd bij raadsbesluit op 13 december 2010)
Onderdeel van Verordening op de ambtelijke bijstand 2002