Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 7

Artikel 2.7.5

Aansluiting anders dan aan de openbare riolering

Onderdeel van Bouwverordening der gemeente Brunssum

1. De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten: zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden; en zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvangvoorziening of infiltratievoorziening. Deze voorzieningen dienen een bergend vermogen te hebben van ten minste 31 mm van het aangesloten verhard oppervlak (3,1 m3 per 100m2). De overlopen van voornoemde voorzieningen mogen aangesloten worden op het gemeentelijk riool. De infiltratievoorziening moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen: van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is; van het bepaalde in het eerste lid, als middels een bodemonderzoek kan worden aangetoond (ter beoordeling van de gemeente) dat de ondergrond niet geschikt is voor infiltratie. Het regenwaterriool (RWA-riool) mag dan via een retentievoorziening met een berging van ten minste 31 mm van het aangesloten verhard oppervlak (3,1 m3 per 100m2) aangesloten worden op het gemeentelijk riool.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel