Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 4

- Het horen van belanghebbende

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB 2012

Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aanwie het college met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet; er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in artikel 17 van deze verordening. Artikel 5 - Het afzien van het opleggen van een maatregel Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel 6 - De ingangsdatum en het tijdvak van een maatregel De maatregel wordt in beginsel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm, zoals die gold binnen de eerste maand waarin de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, onder toepassing van een herzienings- of terugvorderingsbesluit, vanaf de kalendermaand volgend op de datum van de verwijtbare gedraging Een maatregel wordt in beginsel voor bepaalde tijd opgelegd voor een periode van maximaal drie maanden. In afwijking van lid 1 wordt de maatregel bij nieuwe uitkeringen opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering. Indien de belanghebbende jegens wie een maatregel moet worden toegepast niet langer een WWB-uitkering ontvangt van de gemeente die de verlaging moet toepassen, dan heeft het college de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe bijstandsaanvraag binnen 6 maanden na de beëindigingdatum van het vorige recht op bijstand alsnog rekening te houden met de eerdere maatregelwaardige gedraging. Artikel 7 - De heroverweging van de hoogte en/of duur van een maatregel Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. 2 In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluitentot herziening, beëindiging of voortzetting van de maatregel. Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de maatregel het percentage van de maatregelverdubbelen, tenzij reeds het maximum percentage is vastgesteld, rekening houdend met de ernstvan de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van debelanghebbende. Artikel 8 - Recidive, samenloop en geïndividualiseerde maatregeloplegging De duur van een maatregel als bedoeld in artikel 2 van deze verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een sluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie dan wel met een zelfde of een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in Hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5 tweede lid van deze verordening. Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in het eerste lid, wederom schuldig maakt aan verwijtbare gedragingen van dezelfde of een hogere categorie dan wel met eenzelfde of een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in Hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening, én die plaatsvinden binnen een periode van 12 maanden na het laatste maatregelrecidivebesluit, kan het college al individualiserend de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel vaststellen. Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende gelijksoortige dan wel ongelijksoortige, verwijtbare gedragingen zoals genoemd in artikel 2 eerste lid van deze verordening en die tegelijkertijd of binnen een korte periode van maximaal twee maanden plaatsvinden, kan het college al individualiserend de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel vaststellen. Bij de beoordeling van de hoogte en de duur van een geïndividualiseerde maatregel houdt het college nadrukkelijk rekening met het benadelingsbedrag dat redelijkerwijs als gevolg toegerekend kan worden aan het verwijtbaar handelen of nalaten van een belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel