Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen.
Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
indien:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
college of van een derde aanwie het college met toepassing van
artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft
uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet;
er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in
artikel 17 van deze verordening.
Artikel 5 - Het afzien van het opleggen van een maatregel
Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 6 - De ingangsdatum en het tijdvak van een maatregel
De maatregel wordt in beginsel opgelegd met ingang van de eerst
volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende
bijstandsnorm, zoals die gold binnen de eerste maand waarin de
verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.
In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
terugwerkende kracht worden opgelegd, onder toepassing van een
herzienings- of terugvorderingsbesluit, vanaf de kalendermaand
volgend op de datum van de verwijtbare gedraging
Een maatregel wordt in beginsel voor bepaalde tijd opgelegd voor
een periode van maximaal drie maanden.
In afwijking van lid 1 wordt de maatregel bij nieuwe uitkeringen
opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering.
Indien de belanghebbende jegens wie een maatregel moet worden
toegepast niet langer een WWB-uitkering ontvangt van de gemeente
die de verlaging moet toepassen, dan heeft het college de
bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe bijstandsaanvraag binnen
6 maanden na de beëindigingdatum van het vorige recht op
bijstand alsnog rekening te houden met de eerdere
maatregelwaardige gedraging.
Artikel 7 - De heroverweging van de hoogte en/of duur van een
maatregel
Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden
wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze
ten uitvoer is gelegd heroverwogen.
2 In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en
het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluitentot
herziening, beëindiging of voortzetting van de maatregel.
Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de
maatregel het percentage van de maatregelverdubbelen, tenzij
reeds het maximum percentage is vastgesteld, rekening houdend
met de ernstvan de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
individuele omstandigheden van debelanghebbende.
Artikel 8 - Recidive, samenloop en geïndividualiseerde
maatregeloplegging
De duur van een maatregel als bedoeld in artikel 2 van deze
verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
binnen twaalf maanden na bekendmaking van een sluit waarbij een
maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie dan wel
met een zelfde of een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in
Hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening. Met een besluit waarmee
een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in
artikel 5 tweede lid van deze verordening.
Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in
het eerste lid, wederom schuldig maakt aan verwijtbare
gedragingen van dezelfde of een hogere categorie dan wel met
eenzelfde of een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in
Hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening, én die plaatsvinden
binnen een periode van 12 maanden na het laatste
maatregelrecidivebesluit, kan het college al individualiserend
de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel
vaststellen.
Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
gelijksoortige dan wel ongelijksoortige, verwijtbare gedragingen
zoals genoemd in artikel 2 eerste lid van deze verordening en
die tegelijkertijd of binnen een korte periode van maximaal twee
maanden plaatsvinden, kan het college al individualiserend de
hoogte en de duur van de op te leggen maatregel
vaststellen.
Bij de beoordeling van de hoogte en de duur van een
geïndividualiseerde maatregel houdt het college nadrukkelijk
rekening met het benadelingsbedrag dat redelijkerwijs als gevolg
toegerekend kan worden aan het verwijtbaar handelen of nalaten
van een belanghebbende.