Het is verboden om in een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingsgebied de bodem te verstoren.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;
het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart en waarbij die verstoring plaatsvindt:
in een gebied met middelmatige archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 5000 m2 en niet dieper dan 40cm, of;
in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2en niet dieper dan 40cm, of;
in een gebied met zeerhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 25 m2en niet dieper dan 20cm
in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
in een ontheffingsbesluit als bedoeld in art. 3.22, 3.23 en 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart.
een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.