Indien de raad besluit een onderzoek in te stellen als bedoeld in de artikelen 155a-155f van de Gemeentewet, benoemt de raad een commissie van onderzoek die bestaat uit vijf raadsleden. Voor ieder lid wijst de raad een raadslid als plaatsvervanger aan.
De zittingsduur van de leden van de commissie is gelijk aan de duur van het onderzoek.
Het lidmaatschap van de commissie eindigt eerder in geval van:
beëindiging van het lidmaatschap van de raad;
ontslag als commissielid door de raad, al dan niet op verzoek van het desbetreffende lid.
Bij een tussentijdse vacature neemt de plaatsvervanger van het desbetreffende commissielid diens plaats in. De raad beslist of in zijn plaats een nieuwe plaatsvervanger wordt aangewezen.
De raad wijst uit de commissieleden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de commissie aan.
De griffier fungeert als secretaris van de commissie of wijst, in overleg met de commissie, een medewerker van de griffie tot secretaris aan.
De commissie van onderzoek kan geen van de bevoegdheden, haar bij deze verordening of de Gemeentewet verleend, uitoefenen, indien niet tenminste drie van haar leden of als zodanig optredende plaatsvervangende leden tegenwoordig zijn.
De commissie van onderzoek besluit bij meerderheid van stemmen. Ieder lid van de commissie brengt één stem uit. De plaatsvervanger die als zodanig optreedt, brengt de stem uit van het lid dat hij vervangt.