Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de
aanvraag van een splitsingsvergunning aan, indien:
voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop
de vergunningaanvraag betrekking heeft een
voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordeningv an kracht is met het oog op de
voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van
een herziening daarvan,
dat besluit in werking is getreden voordat de
aanvraag om vergunning werd ingediend en
redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het
stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen
nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen
splitsing, en
redelijkerwijs verwacht mag worden dat het belang
dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
opweegt tegen het belang van het voorkomen van
belemmeringen van de stadsvernieuwing.
De aanhouding als bedoeld in het vorige lid duurt tot het
moment dat het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordeningis vervallen.
Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een
aanvraag om een splitsingsvergunning aanhouden, indien de
aanvrager aannemelijk kan maken dat hij binnen een daarvoor
redelijke termijn de gebreken, als bedoeld in artikel 4.2.5,
lid 4 en 5 met het oog op de voorgenomen splitsing zal
opheffen.
Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een
aanvraag om een splitsingsvergunning overeenkomstig het
bepaalde in het vorige lid aanhouden, vermelden zij in het
besluit tot aanhouding welke gebreken met het oog op de
voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen welke
termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit
tot aanhouding vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in
datzelfde besluit aangegeven termijn, wordt de vergunning
verleend.
HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.1
Artikel 4.2.6
Aanhouding van de splitsingsaanvraag
Onderdeel van Huisvestingsverordening Alkmaar 2007