De revenuen van het fonds, na aftrek van administratiekosten, loon van de beheerders, onderhoud belastingen en eventueel verder noodzakelijke uitgaven worden voor de helft besteed voor de verstrekking van studiebeurzen (artikel 1, 1e lid) en voor de andere helft voor het doen van uitkeringen aan of ten behoeve van de in het 2e lid van dat artikel bedoelde personen, verenigingen of instellingen, met dien verstande, dat uitkeringen aan de onder a. bedoelde personen bij voorrang geschieden boven die aan de onder b. bedoelde verenigingen of instellingen.
De beheerders kunnen maximaal 5% van de reserve koersverschillen aanwenden voor het sluitend maken van de exploitatie, met dien verstande dat het bij de start van het fonds aanwezige kapitaal in stand dient te blijven.
Aan de beheerders van het fonds wordt de volle vrijheid gelaten om, indien in enig jaar het voor de studiebeurzen bestemde bedrag daarvoor niet of niet geheel wordt besteed, het resterende gedeelte aan te wenden voor het in artikel 1 sub 2e vermelde doel.