**1..** Het schip is voorzien van een betrouwbaar werkende stuurinrichting, die een goede bestuurbaarheid garandeert.
Hierbij wordt rekening gehouden met het gebruik waarvoor het schip is bestemd.
**2..** De functies van de bedieningsorganen zijn duidelijk aangegeven.
**3..** Indien een stuurmachine aanwezig is, is deze sterk genoeg om de krachten op het roer te kunnen opvangen.
**4..** De voortstuwingsinstallatie kan op betrouwbare wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit en andersom gezet worden.
**5..** Een alarmvoorziening is aangebracht voor koelwatertemperatuur, smeeroliedruk en laadstroom.
**6..** De stand van het roer is vanaf de stuurstelling duidelijk zichtbaar; indien dit niet het geval is, is een roerstandaanwijzer bij de stuurstelling aangebracht.
Artikel 14
Stuurinrichting en bedieningsorganen
Onderdeel van Besluit veiligheidseisen schepen voor bootlieden en voor personenvervoer