Naar hoofdinhoud
1. Bedrijven die in stikstofemissie hebben uitgebreid na 7 december 2004 en voor 18 februari 2011, welke een toename van de stikstofdepositie tot gevolg had ten opzichte van een op 7 december 2004 vergunde situatie, maar waarvoor niet eerder een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet is verleend dan wel in het kader van een andere wettelijke procedure een rechtstreekse toetsing aan de Habitatrichtlijn heeft plaatsgevonden, worden beschouwd als interim-uitbreiders. 2. De interim-uitbreiders uit het eerste lid worden onderverdeeld overeenkomstig de categorie-indeling van artikel 6. 3. Voor de interim-uitbreiders die mogen salderen kunnen Gedeputeerde Staten, na een schriftelijk verzoek hiertoe, een compenserende onttrekking doen aan de depositiebank, waarbij de saldering verloopt volgens paragraaf 6, Saldering, met dien verstande dat voor interim-uitbreiders gesaldeerd wordt ten opzichte van het bestaande emissieplafond op 7 december 2004 4. Interim-uitbreiders welke vallen onder categorie A kunnen door Gedeputeerde Staten, worden afgehandeld volgens lid 3. De eisen uit het artikel 7 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij onder nieuwe stal dient te worden verstaan, de gerealiseerde uitbreiding in de periode na 7 december 2004 en voor 18 februari 2011 5. Op de Interim-uitbreiders in de categorieën B, C en D zijn de eisen uit de artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing, waarbij onder nieuwe stal dient te worden verstaan, de gerealiseerde uitbreiding in de periode na 7 december 2004 en voor 18 februari 2011, en is artikel 36 bij het nemen van passende maatregelen niet van toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen bedrijven in categorie B salderen volgens lid 3. 6. Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot de interim-uitbreiders nadere regels stellen of aanhaken bij de Programmatische aanpak stikstof als hierin tijdig in een regeling voor Interim-uitbreiders wordt voorzien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel