Naar hoofdinhoud
1.. Indien de functionaris wordt ontslagen in gevallen bij de wet bepaald en in ieder geval ook: op eigen verzoek; bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met de functie genoemd in artikel 1, onder b of artikel 1, onder c; omdat hij handelt in strijd met artikel 81h van de Gemeentewet, met dien verstande dat voor “leden van de rekenkamer” gelezen wordt ”functionaris”; omdat hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen, heeft hij met ingang van de datum van zijn ontslag dan wel met ingang van de dag volgende op die waarop de termijn van benoeming eindigt, recht op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wachtgeld- en uitkeringsverordening 1996. 2.. Indien de functionaris wordt ontslagen of niet wordt herbenoemd omdat hij: naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen; bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld, bestaat geen recht op uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wachtgeld- en uitkeringsverordening 1996. 3.. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan de raad beslissen dat de functionaris een recht op uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wachtgeld- en uitkeringsverordening 1996 toekomt indien het onthouden daarvan kennelijk onredelijk is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel