Naar hoofdinhoud

Artikel 4

De onderzoekscommissie

Onderdeel van Onderzoeksverordening Rotterdam 2003

1.. De onderzoekscommissie heeft, inclusief de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter, ten minste vijf en ten hoogste zeven leden. 2.. De raad benoemt uit zijn midden de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden van de onderzoekscommissie met dien verstande dat niet meer dan één persoon per fractie in de onderzoekscommissie vertegenwoordigd kan zijn. 3.. De onderzoekscommissie kan de bij deze verordening en de bij de Gemeentewet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn. 4.. De onderzoekscommissie besluit bij meerderheid van stemmen. 5.. De leden van de onderzoekscommissie en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging van de onderzoekscommissie kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van de onderzoekscommissie hebben gezegd of aan de onderzoekscommissie schriftelijk hebben overlegd. 6.. Na afloop van het onderzoek, of zo dikwijls de onderzoekscommissie het nodig oordeelt, dan wel indien de raad daartoe besluit, doet de onderzoekscommissie van haar verrichtingen verslag aan de raad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel