Naar hoofdinhoud
Lid 1 en 2 Ervaring is een goede zaak. Er moet voor gewaakt worden dat de positieve effecten van veel ervaring in een functie omslaan in het te lang op de zelfde stoel zitten en mogelijk daardoor verlies aan scherpte. Daarom is een bepaling opgenomen dat voorzitters maximaal 6 en 3 jaar in functie kunnen zijn. Voor leden geldt de termijn van maximaal 2 maal 3 jaar. Om te voorkomen dat gelijktijdig vrijwel en hele commissie aftreedt, zal een rooster van aftreden worden opgesteld door het college, gehoord de commissie. De bedoeling is dat hierdoor periodiek (eens in de drie jaar) de helft van de commissieleden aftredend is. Eenmalige herbenoeming kan plaatsvinden. Om tot een goed schema te kunnen komen, kan het wellicht noodzakelijk zijn dat een kortere benoemingstermijn wordt gehanteerd. Ditzelfde zal gelden voor het rooster van aftreden van de voorzitters en alle plaatsvervangers. Lid 3 De bepaling voorziet in het tussentijdse ontslag van de (vice-)voorzitters en de leden op eigen verzoek. Het indien noodzakelijk ongevraagd ontslag krijgen of schorsing is geregeld in artikel 3, lid 1. Lid 4 Om te voorkomen dat het commissiewerk door gebrek aan quorum niet mogelijk is, is hier de bepaling uit de oude verordening overgenomen dat betrokkenen in functie blijven tot het moment, dat in de opvolging is voorzien. Dit schept wel de verplichting voor het college om tijdig in de (her) benoeming bij vacatures te voorzien en de “demissionaire”periode zoveel mogelijk te beperken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel