De verordening zelf noemt geen maximum leeftijdsgrens. Daarvan is zeer
bewust afgezien, omdat de wetgever als uitgangspunt hanteert dat dit een
discriminatoir karakter kan hebben. Bij een voorgenomen benoeming zal
voor het vaststellen van de benoemingstermijn het leeftijdscriterium wel
worden gewogen.
Lid 1
In deze verordening wordt voor de bezwaarschriftencommissie sociale
zekerheid en de algemene bezwaarschriftencommissie afgezien van de
mogelijkheid tot het benoemen van plaatsvervangende leden. In de vorige
verordeningen bestond die mogelijkheid wel. De achterliggende gedachte
is de volgende. Het regelmatig een bijdrage geven aan het commissiewerk
door de leden bevordert de ervaring, betrokkenheid bij het commissiewerk
en de deskundigheid. De praktijk leert dat plaatsvervangende leden in
sommige periodes heel weinig een zitting van de commissie bijwonen. Dat
heeft tot gevolg dat de aansluiting op wat er in de commissie omgaat, de
ervaring met het werken in een commissie en de ontwikkeling van algemene
basiskennis niet optimaal tot bloei kan komen. Gekozen is daarom voor 2
extra leden per commissie (minimaal zijn, op grond van de wet naast de
(vice-)voorzitter twee leden - per kamer - nodig). Door gebruik te maken
van een vergaderrooster kunnen alle leden in beginsel evenveel
vergaderingen bijwonen. Bij onvoorziene omstandigheden en bij ziekte van
één van de leden kan op deze wijze adequaat en snel worden voorzien een
optimale vervanging.
Lid 2
Voor de bezwaarschriftencommissie personele aangelegenheden wordt die
regeling niet gehanteerd. De achterliggende gedachte hiervoor is de
volgende. De bezwaarschriftencommissie personele aangelegenheden
vergadert als regel 10 maal per jaar. Het criterium van roulerende leden
die met enige regelmaat het commissiewerk gestalte geven kan hier niet
voldoende tot wasdom komen. De leden zouden op deze wijze redelijkerwijs
slechts 5 maal per jaar een vergadering bijwonen. Dat is te weinig om te
kunnen spreken van ervaring. Om die reden blijft bij deze commissie het
systeem van plaatsvervangers voor de leden overeind. De kans dat een
beroep wordt gedaan op deze plaatsvervangers is in de praktijk vrij
gering. Het komt veel voor dat leden van een bezwaarschriftencommissie
personele aangelegenheden in meerdere gemeenten of bij andere overheden
in een dergelijke commissie participeren. Er zal bij de selectie van
plaatsvervangende leden, voor zover mogelijk, daarom vooral ook worden
gelet op hun ervaring als lid van een andere personele
bezwaarschriftencommissie.
Voor het benoemen van een vice-voorzitter is bij de
bezwaarschriftencommissie personele aangelegenheden evenmin gekozen. De
belangrijkste reden is dat deze commissie vanwege de relatief weinige
zaken die jaarlijks op de agenda komen, geen noodzaak heeft om zich in
Kamers op te splitsen. De kans dat de voorzitter niet tijdens een
zitting aanwezig kan zijn, is in de staande praktijk vrijwel te
verwaarlozen. Om die reden wordt ervoor gekozen dat bij afwezigheid van
de voorzitter één van de twee leden hem vervangt. Vanzelfsprekend wordt
er in die situatie naar gestreefd dat het plaatsvervangende lid in die
vergadering wel aanwezig kan zijn, waardoor de commissie dan ook weer
uit drie personen bestaat. Het wordt aan de commissie zelf overgelaten
om bij afwezigheid van de voorzitter zelf een vice-voorzitter aan te
wijzen.
Lid 3/4/5
Doelstelling is om een van de raad, de raadscommissies, het college en
het ambtelijke apparaat onafhankelijke voorzitter en vice-voorzitter te
benoemen. Deze regeling is niet nieuw. De huidige twee commissies kennen
al enige tijd een onafhankelijke voorzitter. De wet schrijft namelijk
een van het bestuursorgaan onafhankelijke voorzitter voor. Uitdrukkelijk
zijn ook leden van een “bestuurscommissie” als bedoeld in artikel 83 van
de Gemeentewet (bijvoorbeeld de commissie primair openbaar onderwijs de
Basis en voorheen de indicatiecommissie ingevolge de AWBZ) uitgesloten
van het voorzitterschap.
Raads- en collegeleden, leden van een bestuurscommissie en ambtenaren
worden in deze verordening eveneens uitgesloten van het lidmaatschap van
een bezwaarschriftencommissie. Dit alles tegen de achtergrond van de wet
en om de onafhankelijkheid van het advieswerk zo goed mogelijk te
waarborgen. De wetgever verbiedt overigens niet dat raadsleden in een
bezwaarschriftencommissie participeren. In de eerder aangehaalde nota
professionalisering afdoening bezwaarschriften is de keus gemaakt geen
raadsleden in bezwaarschriftencommissies zitting te laten nemen.
Lid 6
Uitgangspunt is dat een deel van de commissieleden wordt gevormd door
personen, die op de verkiezingslijst staan en daarmee een binding hebben
met een politieke partij. De hierboven genoemde nota professionalisering
afdoening bezwaarschriften heeft onder meer als uitgangspunt dat
bestuurlijke kennis en affiniteit één van de dragers van het
commissiewerk is. Personen die als raadscommissielid, geen raadslid
zijnde, in functie zijn en personen die op de verkiezingslijst staan,
kunnen op basis van die benoeming en/of plaatsing lid van een
bezwaarschriftencommissie worden. Het is de bedoeling dat hiervoor bij
benoeming in vacatures (drie per commissie) een functieprofiel wordt
opgesteld, aan de hand waarvan de raadscommissie VFAB met een voordracht
tot benoeming komt aan het college voor dit deel van de commissieleden.
De selectie van deze kandidaten voor deze voordracht wordt hiermee
indirect in handen van de raad gelegd.
De andere leden van de commissie, per commissie eveneens drie, worden
ook benoemd op basis van een functieprofiel. In principe zullen deze
leden worden geworven door middel van een advertentie, waarin naast de
eisen in het functieprofiel ook eisen over vakinhoudelijke kennis worden
gesteld.
Een zelfde procedure zal overigens ook voor de selectie van de
(vice-)voorzitters worden toegepast.
In de situatie dat vanuit de raadscommissie (geen raadslid zijnde) of de
kieslijst onvoldoende kandidaten door de raadscommissie VFAB kunnen
worden voorgedragen, kan op grond van het criterium ”bijzondere
situatie” worden voorzien in het benoemen van één of enkele “extra
onafhankelijke leden”. Uiteraard zullen hierbij zeker de eisen
“bestuurlijke kennis en affiniteit” worden gehanteerd naast de voor deze
leden geldende criteria van deskundigheid.
Lid 7
In de huidige structuur wordt één (plv.) lid van de
bezwaarschriftencommissie aangewezen door de Commissie voor
Georganiseerd overleg (GO) en één (plv.) lid door het college. Beide
(plv.) leden wijzen een (plv.) voorzitter aan. Het is niet meer van deze
tijd om leden van een adviescommissie aan een bestuursorgaan door derden
te laten aanwijzen. Bovendien kan het allerlei juridische complicaties
oproepen. Het stelsel van de Gemeentewet gaat er van uit dat elk
bestuursorgaan zelf voorziet in de benoeming van de leden van een
adviescommissie. In dat systeem past overigens wel een voordracht. Lid 6
van dit artikel van deze regeling is daarvan een voorbeeld.
In ons rechtsbestel is ten aanzien van de ambtelijke rechtspositie voor
vakbonden een taak weggelegd, die onder meer in het georganiseerde
overleg tot uitdrukking komt. Met erkenning van die rol en rekening
houdend met de Gemeentewet en de Awb is in deze bezwaarschriftenregeling
gekozen voor een procedure voor de bemensing van de commissie, die
aansluit bij de andere twee bezwaarschriftencommissies. Een
onafhankelijke voorzitter, een (plv.) lid op voordracht van het GO en
een onafhankelijk (plv.) lid.
Hoofdstuk
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Regeling voor de behandeling van bezwaarschriften voor de gemeente Arnhem 2006