Naar hoofdinhoud

Artikel 4

De werkwijze bij de aanvullende werkafspraak

Onderdeel van Regeling aanvullend belonen Veldhoven 2013-2015

1.. Er bestaat in enig kalenderjaar enkel aanspraak op aanvullende beloning, voor zover de individuele medewerker en zijn leidinggevende jaarlijks een aanvullende werkafspraak hebben afgesproken, de medewerker de aanvullende werkafspraak heeft verricht en de beoordelaar het resultaat heeft beoordeeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 5. 2.. De ambtenaar is niet verplicht tot het maken van een afspraak over een aanvullende werkafspraak. Hij heeft de vrijheid om zijn deelname aan de regeling jaarlijks te overwegen. 3.. De beoordelaar neemt het initiatief voor een gesprek met de ambtenaar over een aanvullende werkafspraak. De aanvullende werkafspraak en de voorwaarden daarbij komen vóór 1 maart van het betreffende kalenderjaar tot stand in overleg tussen de ambtenaar en zijn beoordelaar. De ambtenaar doet hiertoe een inhoudelijk voorstel. De afspraken worden SMART geformuleerd. 4.. De ambtenaar wordt binnen redelijke grenzen met reguliere werktijd gefaciliteerd om de aanvullende werkafspraak te verrichten. De beoordelaar maakt vooraf aan de ambtenaar kenbaar welke hoeveelheid tijd hij aan de aanvullende werkafspraak mag besteden. 5.. Indien de aanvullende werkafspraak niet voor genoemde datum tot stand is gekomen door omstandigheden die te wijten zijn aan verzuim aan de zijde van de werkgever, dan verstaat de ambtenaar zich zo spoedig mogelijk met de naasthogere leidinggevende van de beoordelaar, die een passende voorziening treft. 6.. De gemeentesecretaris vervult een arbitraire rol bij meningsverschillen tussen de ambtenaar en de beoordelaar over de inhoud van en tijdsbesteding voor de aanvullende werkafspraak. 7.. De beoordelaar beoordeelt de aanvullende werkafspraak vóór 1 december van het betreffende kalenderjaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel