**1.** Indien voorafgaand aan dan wel ten tijde van de bijstandsverlening over een vermogen kon worden beschikt boven het bescheiden vrij te laten vermogen conform artikel 34 lid 2 sub b en lid 3 van de wet en hierop is ingeteerd op een wijze die getuigt van ongenoegzaam betoond besef voor de voorziening in het bestaan, wordt de bijstand verlaagd en daarbij zoveel mogelijk afgestemd op:
- de wijze van onverantwoord interen op het vermogen en
- de hoogte van het bedrag dat onverantwoord is ingeteerd en
- het eventueel resterende vermogen onder het vrij te laten bescheiden vermogen van belanghebbende.
**2.** De verlaging bedraagt 10 procent van de norm gedurende 1 jaar als er geen of liquide of liquide te maken vermogensbestanddelen resteren ten tijde van de constatering van genoemd feit.
**3.** De verlaging bedraagt 100 procent van de norm gedurende een aantal nader te bepalen maanden als er liquide of liquide te maken vermogensbestanddelen resteren ten tijde van de constatering van genoemd feit. Indien dit aantal maanden lager is dan 12 wordt een verlaging van 10 procent van de norm toegepast op de volgende maanden. De totale periode waarover verlaging van de norm met 100 en 10 procent wordt toegepast bedraagt 1 jaar.
**4.** Het conform lid 3 nader te bepalen aantal maanden waarover verlaging van de norm met 100 procent wordt toegepast, wordt berekend door het resterend vermogen te delen door de daadwerkelijk van toepassing zijnde norm en de uitkomst daarvan naar beneden af te ronden op hele maanden.
**5.** Het totale bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd, berekend over de hele periode van verlaging, kan niet meer bedragen dan het bedrag dat onverantwoord is ingeteerd.
Hoofdstuk 2
Artikel 15
Onverantwoord omgaan met vermogen
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Noord-Beveland 1 oktober 2011