Lid 1.
Het college heeft de algemene verplichting om personen met beperkingen een alternatief te bieden, zodanig dat de gevolgen van die beperkingen zoveel mogelijk worden opgeheven, daarbij uitgaande van de zelfredzaamheid. Hierbij is het functioneren van iemand, die geen Wmo-voorzieningen nodig heeft, norm voor de hoogte en de mate waarin gecompenseerd wordt, evenals voor de aard van de compensatie. Voor het bepalen van welke voorliggende oplossingen dan wel Wmo-voorzieningen voldoende compenserend zijn, wordt aangesloten bij het begrippenkader van de ICF en de persoonlijke (leef)situatie.
Lid 2.
Het compensatiebeginsel is van toepassing op:
Het ondersteunen van personen met beperkingen, mantelzorgers en vrijwilligers.
Het bevorderen van deelname aan het normale maatschappelijke verkeer.
Het verstrekken van Wmo-voorzieningen ten behoeve van personen met beperkingen.
Lid 3.
Het college kan aan een persoon met beperkingen Wmo-voorzieningen verstrekken, die hem zoveel mogelijk in staat stellen:
Een huishouden te voeren.
Een woning normaal te gebruiken.
Zich te verplaatsen in en om de woning.
Zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel.
Zich zodanig te verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen.
Andere mensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan en te onderhouden om op die manier deel te nemen aan het normale maatschappelijke verkeer.
Lid 4.
Bij het bepalen van de noodzaak tot compensatie houdt het college rekening met persoonskenmerken, behoeften van de persoon met beperkingen, de omstandigheden waarin de persoon met beperkingen verkeert en de capaciteit van de persoon met beperkingen om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.
HOOFDSTUK 1. › Paragraaf 2.
Artikel 2.
Compensatiebeginsel
Onderdeel van Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Gilze en Rijen 2012