Indien de gemeentelijke belasting over een tijdvak wordt geheven en de belastingschuld naar de toestand op een bepaald, aan het begin van het belastingtijdvak vastgesteld tijdstip wordt geheven, moet in de verordening:
• worden geregeld dat de belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak of zo dit later is bij de aanvang van de belastingplicht. Daarmee ontstaat bij tijdvakheffingen de materiële belastingschuld niet pas aan het einde van het belastingtijdvak, doch reeds bij het begin ervan. De belastingschuld kan derhalve in de loop van het belastingtijdvak worden geformaliseerd. Aangezien de materiële belastingschuld in beginsel ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak, zijn tariefverhogingen in de loop van het belastingtijdvak niet mogelijk;
• een regeling worden opgenomen voor de gevallen waarin de belastingplicht in de loop van dit tijdvak ontstaat of eindigt. Bij aanvang van de belastingplicht in de loop van het tijdvak dient heffing naar tijdsgelang plaats te vinden. Bij beëindiging van de belastingplicht in de loop van het tijdvak dient ontheffing naar tijdsgelang plaats te vinden. In de verordening is in voorkomend geval gekozen voor een tijdsevenredige herleiding per maand, waarbij gedeelten van een maand niet worden meegerekend. Deze (ont)heffingsregeling is erop gericht dat bij de tijdsevenredige toepassing geen te grove afrondingen plaatsvinden.
Hoofdstuk
Artikel 9
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening Hondenbelasting 2010