In artikel 2 hebben de omschrijving van de belastingplicht en het belastbaar feit een plaats gevonden. Zoveel mogelijk is aangesloten bij de tekst van artikel 223 van de Gemeentewet.
Dat artikel biedt de mogelijkheid tot het heffen van een Slaapforensenbelasting en een woonforensenbelasting. In de verordening heeft alleen de woonforensenbelasting een plaats gekregen. Toch is in deze verordening gekozen voor de naam 'Forensenbelasting'. Artikel 223 kent namelijk alleen het begrip 'Forensenbelasting'. Gemeenten kunnen onroerende gemeubileerde woningen zowel in de Forensenbelasting als in de Onroerende-zaakbelastingen
aanslaan. De Hoge Raad heeft dit in 2001 bevestigd: er is geen strijd met enige wettelijke bepaling of discriminatieverbod als beide heffingen naast elkaar worden geheven (HR 9 november 2001, nr. 36.111, LJN: AD5329).
Belastingplichtig kunnen slechts zijn natuurlijke personen die in de gemeente geen
hoofdverblijf hebben. Of er al dan niet sprake is van het hebben van hoofdverblijf moet worden beoordeeld naar de omstandigheden (artikel 223, derde lid, van de Gemeentewet).
De inschrijving in het bevolkingsregister kan een omstandigheid zijn, maar doorslaggevend is dat niet (HR 9 mei 1984, nr 22 373, BNB 1984/175, Belastingblad 1984, blz. 371). Zie voor van belang zijnde omstandigheden Hof Leeuwarden 14 mei 2004, nr 296/03, LJN: AO9762, Belastingblad, 2004, blz. 760, Hof Amsterdam 2 december 1992, nr. 92/1085, Belastingblad 1993, blz. 342 en Hof 's-Gravenhage 26 februari 1992, nr. 91/0638, Belastingblad 1992, blz. 492.
Indien de gemeente bij het aanwijzen van degene die voor zich of hun gezin een
gemeubileerde woning beschikbaar houdt de keuze heeft, zal het college, op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bij die keuze moeten handelen op basis van beleid. De in dit verband met betrekking tot de Onroerende-zaakbelastingen gewezen jurisprudentie, strekt zich blijkens de uitspraak van het Hof Amsterdam van 29 april 1994, nr. 93/2462, E VII, Belastingblad 1994, blz. 543, inzake afvalstoffenheffing, ook uit tot andere gemeentelijke belastingen bij welke een keuzesituatie bestaat voor het aanwijzen van een belastingplichtige.
Er dient op te worden gelet dat alle natuurlijke personen die aan het belastbaar feit voldoen in de heffing worden betrokken. Dit is een gevolg van het arrest van de Hoge Raad 4 juli 1989, nr. 26 141, Belastingblad 1989, blz. 576. In het aldaar berechte geval kon overigens de woonforensenbelasting niet worden geheven. Het Hof had daar als vaststaand aangemerkt dat de woning slechts op basis van afspraken voor de vijf mede-eigenaren zelfstandig en zonder de anderen gebruikt wordt en voorts dat zij niet tot hetzelfde gezin behoorden. In die omstandigheden biedt de wet noch de verordening houvast voor het in de heffing betrekken van de gezamenlijke eigenaren. Over de beschikbaarheid van de woning voor de vijf
eigenaren koos overigens het Hof bij gebreke van duidelijkheid daarover waarschijnlijk voor een rekenkundige uitleg. Dit betekent dat bij mede-eigendom van meer dan vier eigenaren nagegaan zal moeten worden hoe de desbetreffende overeenkomst luidt om te constateren of een belastbaar feit heeft plaats gevonden.