Het vierde lid van het tot 1 januari 1995 geldende artikel 224 van de Gemeentewet is bij de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen vervallen. In dit artikellid waren de te hanteren heffingsmaatstaven opgenomen. Vanaf 1 januari 1995 bepaalt zoals gezegd artikel 219, tweede lid, de toegestane heffingsmaatstaven. Dit betekent dat bij de Forensenbelasting alle heffingsmaatstaven zijn toegestaan behalve die naar inkomen, winst of vermogen.
De maatstaf van de heffing is de waarde in het economische verkeer van de woning. De heffingsmaatstaf wordt overgenomen zoals deze is vastgesteld voor de Onroerende-zaakbelastingen.
Nu het mogelijk is dat bepaalde gemeubileerde woningen voor de Forensenbelasting niet onroerend zijn, moet daarvoor een aparte bepaling worden opgenomen. Deze heeft een plaats gekregen in het tweede lid.
In het derde lid is verankerd dat de objectafbakening en waardering dienen te geschieden overeenkomstig de regels zoals die voor de Onroerende-zaakbelastingen gelden. Voor roerende woningen dienen de regels op overeenkomstige wijze te worden toegepast. Het is mogelijk om op deze manier naar de verordening op de heffing van Onroerende-zaakbelastingen te verwijzen. Deze mogelijkheid is in de jurisprudentie ook uitdrukkelijk erkend. Gewezen wordt op de beslissing van de HR 1 februari 1989, nr. 25.853, Belastingblad 1989, blz. 150 en Hof Arnhem, 19 april 2000, nr. 98/02586, Belastingblad 2000, blz. 1164 (Apeldoorn).