Bij de heffing van is aansluiting gezocht bij de vergunningverlening voor de betreffende voorwerpen. De geldigheidsduur van de vergunning is bekend. Ingevolge artikel 6, vierde lid, worden de voorwerpen - behoudens tegenbewijs - geacht gedurende deze gehele periode onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig te zijn. Een en ander betekent dat de belastingschuld in deze gevallen in beginsel vaststaat bij de aanvang van het belastingtijdvak (de periode waarvoor de vergunning geldt, dan wel het kalenderjaar). Daarom wordt in het eerste lid bepaald dat de belasting in deze gevallen is verschuldigd bij de aanvang van het tijdvak, tenzij de belastingplicht later aanvangt. Dit betekent dat bij de aanvang van het tijdvak of latere aanvang van de belastingplicht, aanslagen voor vergunninggevallen kunnen worden opgelegd. Indien in de tarieventabel dag-, week- of maandtarieven zijn opgenomen kunnen deze tarieven worden toegepast al naar gelang de duur van het belastingtijdvak. Ingeval een jaartarief geldt, kan in combinatie met de regeling inzake de heffing naar tijdsgelang in het derde en vierde lid, de 'exacte' omvang van de belastingschuld worden vastgesteld. Indien al in de loop van het kalenderjaar (op grond van de vergunning) een definitieve aanslag wordt
opgelegd, verdient het aanbeveling de beslissing op een verzoek om ontheffing in verband met het niet meer hebben van de voorwerpen uit te stellen tot na afloop van het kalenderjaar (en hiervan mededeling te doen aan belastingplichtige). Indien direct ontheffing wordt verleend en belastingplichtige op grond van dezelfde vergunning later in het jaar nog eens dezelfde voorwerpen heeft, is nog steeds sprake van hetzelfde belastingtijdvak en kan geen (tweede) primitieve aanslag meer worden opgelegd. Een andere mogelijkheid is wel ontheffing te verlenen en na te vorderen indien blijkt dat later in het kalenderjaar
belastingplichtige de voorwerpen op basis van dezelfde vergunning opnieuw heeft (artikel 16, eerste lid, AWR). Uitstel van een beslissing op het ontheffingsverzoek is de beste optie. Indien sprake is van intrekking of beëindiging van de geldigheidsduur van de vergunning, zal het opnieuw hebben van voorwerpen plaatsvinden op basis van een nieuwe vergunning (of zonder vergunning) en daarmee ook een nieuw belastingtijdvak aanvangen. Indien geen vergunning is verleend voor het hebben van de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, staat de omvang van de belastingschuld pas vast aan het einde van de aaneengesloten periode gedurende welke de voorwerpen aanwezig zijn. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 november 1994, nr. 29595, Belastingblad 1994, blz. 819, BNB 1995/12 (Amsterdam), kan dan pas na afloop van het belastingtijdvak (de aaneengesloten periode) een aanslag worden opgelegd. In het tweede lid is dit geëxpliciteerd. In voorkomend geval kan een voorlopige aanslag worden opgelegd of van een voorlopig gevorderd bedrag worden kennisgegeven, mits de door het college vastgestelde uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen (zie artikel 12) daarin voorziet . Het derde en het vierde lid geven een regeling voor de heffing naar tijdsgelang voor de gevallen dat alleen jaartarieven in de tarieventabel zijn opgenomen. Het vijfde lid is facultatief en is uit doelmatigheidsoverwegingen opgenomen.
Hoofdstuk
Artikel 9
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Rioolheffing 2010