Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., onmogelijk maken en/of
een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., niet aanwezig is.