De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen, wordt verhoogd met een toeslag van 10% van de gezinsnorm, behoudens het bepaalde in artikel 7, lid 1, en artikel 8 van deze verordening.
In afwijking van lid 1 wordt de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag ter hoogte van 20% van de gezinsnorm, behoudens het bepaalde in artikel 7, lid 1, en artikel 8 van deze verordening, indien de woning wordt bewoond met een ander of die in de woning van een ander woont en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.
Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met uitsluitend een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten is ook sprake indien de woning wordt bewoond met uitsluitend een zorgbehoevende bloedverwant in de eerste graad waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 4, lid 5 van de wet of een bloedverwant in de tweede graad waarbij sprake is van zorg als bedoeld in artikel 4, lid 5 van de wet tussen deze bloedverwant en een van de gezinsleden.
Hoofdstuk
Artikel 4
Niet alleenwonende alleenstaande (ouder)
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012