Naar hoofdinhoud

Artikel 3

– Gebrek aan inkomstenverbetering

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag Renswoude

1.. Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een gebrek aan inkomstenverbetering is voldaan indien een belanghebbende gedurende de referteperiode: geen inkomsten uit arbeid heeft, en er geen sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van een arbeids- en/of re-integratieverplichting. 2.. Indien er gedurende de laatste 24 maanden van de referteperiode sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van arbeids- en/of re-integratieverplichtingen bestaat er vanaf de peildatum gerekend 12 maanden geen recht op de langdurigheidstoeslag. 3.. Indien er gedurende de 12 maanden van uitsluiting wederom sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van een arbeids- en/of re-integratieverplichting, volgt er andermaal 12 maanden van uitsluiting. 4.. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, blijven tijdens de referteperiode ontvangen inkomsten uit arbeid tot een bedrag van € 2.500,00 buiten beschouwing. 5.. Het in het eerste lid onder a. gestelde geldt niet voor de belanghebbende die om redenen van medische of sociale aard niet in staat kan worden geacht om met arbeid een inkomen te verwerven dat boven de voor hem geldende bijstandsnorm uitkomt. 6.. Er is geen sprake van een gebrek aan inkomstenverbetering indien een belanghebbende een opleiding of studie volgt als bedoeld in de WTOS of de WSF 2000, of een dergelijke opleiding of studie recentelijk gevolgd heeft. In dat geval kan de referteperiode niet eerder aanvangen dan het moment van beëindiging van de opleiding of studie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel