Deze verordening treedt in werking nadat deze op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Nota bestuurlijke integriteit gemeente Arnhem 2003
Behoort bij raadsbesluit van 14 oktober 2003, nummer CS/CTRJ/2003/52.
1. Inleiding
Integriteit behoort tot de kernkwaliteiten van de overheid. De burgers moeten zich voor veel zaken tot de gemeente wenden. De gemeente heeft daarbij - evenals andere overheidsorganisaties - vaak een monopoliepositie. Dit stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het openbare bestuur en aan degenen die daarin functioneren. Mede daarom leggen bestuurders bij hun aantreden de zuiveringseed (of belofte) en de ambtseed (of belofte) af.
De integriteit van het openbare bestuur staat de laatste jaren in het middelpunt van de belangstelling. Er hebben zich incidenten voorgedaan. Politiek en media hebben, mede als gevolg hiervan, veel aandacht aan dit onderwerp besteed.
Bij politiek- bestuurlijk en ambtelijk niet-integer handelen wordt vaak in eerste instantie gedacht aan corruptie en fraude. Integer openbaar bestuur omvat méér dan alleen de afwezigheid van corruptie en fraude.
Laakbaar of onethisch handelen, kent een aantal verschijningsvormen, zoals:
corruptie (= steekpenningen om bepaald bestuurlijk en/of ambtelijk gedrag te bevorderen dan wel bedoeld om bepaald handelen tegen te gaan);
fraude (= het onrechtmatig toe-eigenen van middelen die veelal door manipulatie van gegevens wordt verhuld);
diefstal en verduistering (het onrechtmatig verkrijgen van middelen zonder dat sprake is van manipulatie van gegevens);
giften en beloften (waarbij op voorhand een tegenprestatie wordt bedongen);
belangenverstrengeling (strijdigheid van private –soms persoonlijke- en publieke belangen);
misbruik en manipulatie van informatie (liegen, bedriegen en het lekken van informatie).
De oorzaak van laakbaar handelen, kan samenhangen met:
ontwikkelingen binnen de overheid zelf, waarvan er hieronder enkele worden genoemd:
kerntakendiscussies, interne verzelfstandigingen en privatiseringen zullen een aantal taken buiten de directe invloedssfeer brengen van het openbare bestuur. Desalniettemin zullen ook aan de op afstand geplaatste activiteiten eisen worden gesteld ten aanzien van de integriteit;
bestuurders en ambtenaren krijgen steeds grotere verantwoordelijkheden en opereren steeds ondernemender (en daarmee per definitie risiconemende). De producten en de diensten die men aanbiedt, bijvoorbeeld vergunningen en subsidies, vertegenwoordigen een steeds grotere marktwaarde;
“agressieve” behartiging van belangen in lobbycircuits;
de gemeente gaat zich steeds vraaggerichter opstellen. De organisatie wordt daardoor minder hiërarchisch met meer decentrale bevoegdheden;
de overheid wordt steeds meer partij naast andere partijen en staat er steeds minder boven. Verschillende deelbelangen worden tegen en naast elkaar gezet waarbij de overheid verschillende rollen heeft;
de toenemende complexiteit van de regelgeving maakt het gemakkelijker om malversaties te plegen;
het komt steeds meer voor, dat de georganiseerde misdaad via legale activiteiten de criminele activiteiten maskeert of tracht te legaliseren. Als dit laatste fenomeen doorzet zal ook de lokale overheid hiermee in aanraking komen;
corruptie bevorderende factoren, zoals:
rekrutering;
een als laag gepercipieerd salaris;
teveel verantwoordelijkheid bij één persoon;
gebrekkige controle en toezicht;
geringe mogelijkheid tot splitsing van taken;
geringe mogelijkheid tot controle;
(on)mogelijkheid van de overheid tot het gebruikmaken van dwangmiddelen;
normen, waarden en interactiegedrag in organisaties;
kwetsbare handelingen, zoals:
het innen van gelden;
het verstrekken van opdrachten tot levering aan de gemeente en het aanbesteden namens de gemeente;
het uitkeren van gelden;
het verlenen van vergunningen en subsidies;
het handhaven van regelgeving.
Met het opstellen van gedragscodes wordt beoogd - aanvullend aan de reeds bestaande wetgeving, waarover hierna meer - de controlerende functie van de raad en van de publieke verantwoording te versterken.
Afgeleide doelstellingen zijn:
het bevorderen van het vertrouwen van de burgers in de integriteit van het overheidshandelen;
het verschaffen van legitimatie voor het opleggen van sancties;
ambtenaren gevoelig maken voor het ethische karakter van overheidsbesluiten;
het verminderen van de onzekerheid over de vraag wat ethisch of onethisch gedrag is; de gedragscodes bieden een handvat voor betrokkenen om de grens te bepalen tussen wat (nog) wél en niét kan;
bijdragen aan het oplossen van ethische dilemma’s;
het bevorderen van het ethische bewustzijn van bestuurders en ambtenaren.
In Nederland is aan de discussie een impuls gegeven door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Dales, tijdens een VNG congres in 1992. Dit heeft er onder andere toe geleid dat in de rijksbegroting 1995 bestuurlijke integriteit wordt genoemd als hoofdpunt van het regeringsbeleid ten aanzien van Binnenlandse Zaken.
In het bestuursakkoord tussen het Rijk en de VNG staat dat samen bezien zal worden hoe de bestuurlijke vernieuwing en de integriteit van het bestuur bevorderd kunnen worden.
Binnenlandse Zaken heeft in 1996 ongevraagd een advies over bestuurlijke integriteit uitgebracht aan de minister van Binnenlandse Zaken.
In 1996 is in het Europese Parlement besloten om ten aanzien van giften en geschenken de nuloptie te kiezen.
In 1999 bracht het kabinet de nota "Integriteit van het openbare bestuur" uit, in 2001 gevolgd door een voorstel tot wijziging van de Ambtenarenwet in verband met integriteit (wettelijke basis voor de zogenaamde klokkenluiderregeling).
Het kabinet heeft aangekondigd met een algehele herziening van de Ambtenarenwet te komen.
Ook in het bedrijfsleven is er sprake van toenemende aandacht voor gedragscodes omdat ook daar onderkend wordt dat de ethiek van het zakendoen aan erosie onderhevig is. Een bekend voorbeeld van integriteithandhaving is het toezicht op de effectenhandel.
Op voorstel van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie (commissie Elzinga) zijn bij de Wet dualisering gemeentebestuur in de Gemeentewet bepalingen opgenomen, die de gemeenteraad verplichten tot het vaststellen van gedragscodes voor raadsleden, wethouders en de burgemeester (de nieuwe artikelen 15 derde lid, 41c tweede lid en 69 tweede lid).
Deze bepalingen vormen een aanvulling op reeds bestaande wetgeving op dit gebied. De meest essentiële zaken zijn reeds geregeld in met name de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht, de Ambtenarenwet en het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke bepalingen kennen hun eigen specifieke sancties bij overtreding van de norm. Op bijlage 1 bij deze nota zijn de wettelijke bepalingen weergegeven.
Het overtreden van de gedragscode kan voor bestuurders - onverminderd de hiervoor bedoelde wettelijke sancties - bestuurlijk-politieke consequenties hebben en bovendien een slecht publiek imago opleveren.
Voor het opstellen van deze nota en de gedragscodes is de landelijke nota van IPO/VNG/Ministerie BZK als leidraad genomen alsmede is geput uit ervaringen in en van andere gemeenten.
2. Bestuurlijke integriteit
Bestuurlijke integriteit houdt in dat de verantwoordelijkheid die met de functie samenhangt, wordt aanvaard en dat er de bereidheid is om daarover verantwoording af te leggen. Verantwoording wordt intern afgelegd aan collega-bestuurders, de gemeenteraad, maar ook extern aan organisaties en burgers voor wie bestuurders hun functie vervullen.
Een aantal kernbegrippen is daarbij leidend en plaatst bestuurlijke integriteit in een breder perspectief:
Dienstbaarheid
Het handelen van een bestuurder is altijd en volledig gericht op het belang van de gemeente en op de organisaties en burgers die daar onderdeel van uitmaken.
Functionaliteit
Het handelen van een bestuurder heeft een herkenbaar verband met de functie die hij vervult in het bestuur.
Onafhankelijkheid
Het handelen van een bestuurder wordt gekenmerkt door onpartijdigheid, dat wil zeggen dat geen vermenging optreedt met oneigenlijke belangen en dat ook iedere schijn van een dergelijke vermenging wordt voorkomen.
Openheid
Het handelen van een bestuurder is transparant, opdat optimale verantwoording mogelijk is en de controlerende organen volledig inzicht hebben in het handelen van de bestuurder en zijn beweegredenen daarbij.
Betrouwbaarheid
Op een bestuurder moet men kunnen rekenen. Die houdt zich aan zijn afspraken. Kennis en informatie waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, wendt hij aan voor het doel waarvoor die zijn gegeven.
Zorgvuldigheid
Het handelen van een bestuurder is zodanig dat alle organisaties en burgers op gelijke wijze en met respect worden bejegend en dat belangen van partijen op correcte wijze worden afgewogen.
Deze kernbegrippen zijn de toetssteen voor de verordening Gedragscode integriteit raads- en commissieleden.
Gedragingen moeten aan deze kernbegrippen getoetst kunnen worden.
Zoals hiervoor reeds aangegeven zijn de gedragscodes aanvullend aan de reeds wettelijk vastgestelde integriteitregels met de daarbij behorende wettelijke sancties.
Bestuurders kunnen op de gedragscodes worden aangesproken en wanneer één of meer codes zijn overtreden kan dat (politieke) gevolgen hebben voor hun functioneren en voor hun positie.
In de gedragscode zijn de volgende zaken aan de orde:
belangenverstrengeling;
informatie;
geschenken, giften en gunsten;
bestuurlijke uitgaven;
reizen buitenland.
Artikel 38
Artikel 38
Onderdeel van Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Arnhem