Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 17.

Overgangsbepaling

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2008

Voor cliënten die op 1 juli 2008 reeds recht hadden op een hogere toeslag, dan wel een lagere verlaging, geldt een overgangstermijn. Hiervoor wordt bepaald dat er met een maximum van één jaar de hogere toeslag zal worden voortgezet. Indien deze maximumtermijn is verstreken bestaat er recht op een afbouw van de hogere toeslag in een periode van zes maanden. Artikel 18. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2008 Toelichting Algemeen Per 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand in werking getreden. Ingevolge artikel 8 eerste lid onder c van deze wet, stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 30 WWB. De toeslagenverordening WWB 2004 is gebaseerd op de artikelen 8 en 30 WWB. Artikel 30 biedt de juridische grondslag voor de toeslagenverordening en is gericht op bijstandsafhankelijke personen van 21 jaar en ouder; Dit betekent dat geen toeslag op grond van de verordening mag worden verstrekt aan een persoon van 18, 19 of 20 jaar. Wel mag aan een persoon van 18, 19 of 20 jaar (alleenstaand, alleenstaande ouder of gezin) op grond van de artikel 12 en 35 WWB voor de noodzakelijke kosten van het bestaan in voorkomende gevallen "bijzondere bijstand" worden verstrekt. In de gemeente Deventer wordt deze vorm van bijzondere bijstand geregeld in beleidsregels en blijft derhalve buiten het bestek van deze verordening. Voor personen ouder dan 65 jaar geldt een landelijke hogere bijstandsnorm. Deze norm is gerelateerd aan de AOW-uitkering. Gemeenten hebben dus geen vrijheid d.m.v. toeslagen de uitkering voor personen ouder dan 65 jaar te verhogen of te verlagen. In deze verordening gaat het dus enkel om: Toeslag bij het niet of niet geheel kunnen delen van de kosten (artikel 25 WWB): voor alleenstaanden van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar en voor alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar; Korting bij het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten (artikel 26 WWB): overlaging van de norm voor echtparen; Korting bij geen woonkosten (artikel 27 WWB): overlaging van de norm of van de toeslag; Korting bij schoolverlating (artikel 28 WWB): oVerlaging van de norm of van de toeslag; Korting voor 21 of 22 jarigen (artikel 29 WWB): overlaging toeslag. Voor een deel ligt het beleid al vast en wel op grond van artikel 30 lid 2 sub a WWB, waar is bepaald dat de toeslag wordt gesteld op het maximumbedrag van 20% van het wettelijk minimumloon per kalendermaand voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder "in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft". Voor de alleenwonende alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder ligt de hoogte van de toeslag dus vast. De kosten kunnen dan niet worden gedeeld. Het gemeentelijk beleid richt zich dan ook voor wat betreft de toeslagen op de toeslagen voor: de alleenstaanden van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar en de alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die de kosten niet geheel met een ander kunnen delen. In deze verordening is een "forfaitaire toeslag" als uitgangspunt genomen voor de vaststelling van de toeslag. De korting (voor echtparen) is hier van afgeleid. De toeslag is lager dan de maximale toeslag van 20% van het netto minimumloon omdat de algemene bestaanskosten lager zijn als gevolg van het kunnen delen van: de woonkosten; verzekeringen en belastingen, verbonden aan de woning; vaste lasten; contributies en abonnementen; duurzame gebruiksgoederen. Door te kiezen voor 10% wordt zo weinig mogelijk veranderd in de hoogte van de uitkeringen ten opzichte van de hoogte van de uitkeringen tot de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet. Wel wordt een uitzondering gemaakt in verband met de hulpbehoevendheid van de inwonende, want hoewel een hulpbehoevende inwonende deels bij kan dragen in de kosten, willen we voorkomen dat als belanghebbende een verzorgingsbehoeftige in huis neemt, dit gepaard gaat met een daling van het inkomen. Ook inwonende kinderen kennen een uitzonderingspositie. Zo wordt tussen bloedverwanten in de eerste graad geen gezamenlijke huishouding verondersteld. Tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen wordt ook geen commerciële overeenkomst verondersteld. Dit betekent dat overeenkomsten tussen ouders en inwonende kinderen niet worden geaccepteerd. Nu, in 2008 is de toeslagenverordening geëvalueerd en op bepaalde onderdelen dan ook aangepast. Dit als gevolg van wetswijzigingen en jurisprudentie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel