**1.** Er bestaat geen recht op een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk indien:
a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een
verhuizing waartoe op grond van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
b. de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college;
c. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van individuele omstandigheden te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
d. de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;
e. geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning;
f. de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.
**2.** De persoon met beperkingen heeft geen recht op een woonvoorziening als bedoeld in artikel 14 onderdeel c, indien hij eigenaar is van de aan te passen woning en het in de woning gebonden vermogen hoger is dan het door het college in het Besluit vastgestelde bedrag.
**3.** Het in de woning gebonden vermogen bedoeld in lid 2 is gelijk aan de WOZ-waarde van de woning, minus de openstaande hoofdsom van de geldlening in verband met het op de aan te passen woning gevestigd recht van hypotheek.
**4.** Het bepaalde in lid 2 blijft buiten toepassing indien de totale kosten van de noodzakelijke woonvoorziening als bedoeld in lid 3 niet hoger zijn dan het door het college in het Besluit vastgestelde bedrag.
**5.** Het bepaalde in lid 2 blijft buiten toepassing indien de persoon met beperkingen blijkens de schriftelijke afwijzing van een tweetal erkende kredietverstrekkers niet in staat is middels het geven van een recht van hypotheek een vermogen te gelde te maken om (een deel van) de woonvoorziening te realiseren. Als de persoon met beperkingen niet geheel in staat is om het vermogen dat nodig is om de woonvoorziening te realiseren te financieren middels een recht van hypotheek, verstrekt het college alleen dat deel dat niet middels een recht van hypotheek verkregen kan worden.
Hoofdstuk 4
Artikel 20
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2012