Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8

Artikel 43

Intrekking van een voorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen 2012

1. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande Wmo-verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a. niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. niet is of wordt voldaan aan de gestelde verplichtingen; c. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; d. blijkt dat gedurende een periode van meer dan zes maanden geen gebruik is gemaakt van de verstrekte voorziening; e. de aanvrager en/of persoon met beperkingen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond; f. de persoon met beperkingen is overleden; g. de aanvrager en/of persoon met beperkingen schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op de voorziening. 2. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 3. De beschikking, waarbij het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden is toegekend, wordt geheel of gedeeltelijk ingetrokken: a. met ingang van de 1e dag van de maand, volgend op de maand waarin de budgethouder is overleden; b. met ingang van de dag waarop de budgethouder langer dan twee maanden aaneengesloten verblijft in een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Zorgverzekeringswet.

Rechtspraak bij dit artikel