Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Cameratoezicht.

Onderdeel van Koninginnedagverordening

1.. In het gedeelte van het gebied gelegen binnen de veiligheidsringen 1, 2 en 3, zoals aangegeven op de, bij deze verordening behorende plattegrond (bijlage 3), wordt ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op openbare plaatsen, cameratoezicht ingesteld op basis van artikel 2 van de Politiewet 1993 en de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering, door middel van de plaatsing van vaste, duidelijk zichtbare camera’s. 2.. Dit cameratoezicht vindt plaats via de tijdelijk geplaatste camera’s met ingang van 14 april 2012 10:00 uur tot 1 mei 2012 16:00 uur. 3.. Het is verboden een voorwerp of soortgelijk goed zodanig in de nabijheid van een camera te plaatsen dat daardoor de werking wordt bemoeilijkt of belemmerd. 4.. Het is verboden om een handeling te verrichten waardoor het maken van beeldmateriaal met een camera die aanwezig is ten behoeve van de uitoefening van toezicht op een openbare plaats ter handhaving van de openbare orde, wordt bemoeilijkt of belemmerd. 5.. Bij constatering van een overtreding als bedoeld in het derde en vierde lid, kunnen de in de verordening met toezicht en handhaving belaste ambtenaren, vorderen tot verwijdering van voorwerpen of objecten als bedoeld in het derde lid, dan wel het stopzetten van het verrichten van handelingen als bedoeld in het vierde lid, die het cameratoezicht bemoeilijken of belemmeren. 6.. Een ieder is verplicht onmiddellijk aan een, tot hem gerichte vordering als bedoeld in het vijfde lid, op te volgen. 7.. Indien geen medewerking wordt, of kan worden, verleend kunnen de in het vijfde lid bedoelde ambtenaren, op kosten en risico van de houder van het voorwerp of object, in het nodige voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel