Artikel 19 van de Verordening bepaalt:
"Het college legt in het gemeentelijk Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning vast in welke situaties sprake is van overwegende bezwaren zodat er geen voorzieningen in natura of persoonsgebonden budget wordt verstrekt".
Dit artikel 19 van de verordening is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, vooral als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Of als verwacht kan worden dat zij een bedreiging zijn voor de in natura geleverde diensten. Het is mogelijk om zorg in natura te weigeren als de veiligheid van de zorgverlener in het geding is of de arbowetgeving van toepassing is. Alternatieven zijn dan mogelijk het inschakelen van bemoeizorg of een andere vorm van begeleiding. Er is altijd een goede onderbouwing nodig.
Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wmo is gebleken dat overwegende bezwaren algemeen van aard kunnen zijn en kunnen berusten op doelmatigheids-overwegingen. Daaronder kan worden begrepen de overweging dat een veelvuldig beroep op persoonsgebonden budgetten het instandhouden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven. De gemeenten in de Oosterschelderegio stellen zich op het standpunt dat zij er aanzienlijk belang bij hebben dat er zoveel mogelijk belanghebbenden deelnemen aan het collectief vervoer om het collectief vervoersysteem in stand te kunnen houden.
Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een pgb zou moeten worden verstrekt, zou dat de gemeente € 850,00 of € 1.100,00 per persoon per jaar kosten tegen de gemiddelde kosten van het collectief vervoer van € 435,00 per persoon per jaar. De keuze voor een persoonsgebonden budget zou behoorlijke financiële gevolgen voor de gemeenten hebben, waardoor het voortbestaan van het collectieve vervoerssysteem gevaar zou lopen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een goede natura voorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een pgb van een aanvrager die aantoonbaar van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag als daarmee het resultaat van het compenseren van de beperking wordt bereikt, daarom in beginsel afgewezen worden. Dit onderdeel is in het hoofdstuk vervoer nader uitgewerkt.
Naast de hiervoor genoemde redenen om geen pgb toe te kennen, kan het ook voorkomen dat bij een aanvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen korte tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een andere voorziening. En dat wellicht daarna weer. Het is dan ook de vraag of deze situatie zich wel leent voor een pgb, omdat al vaststaat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal blijven. Mocht sprake zijn van dit probleem dan zal allereerst goed overleg met de aanvrager duidelijk moeten maken welke reden de aanvrager heeft voor de wens een pgb te ontvangen. Wellicht is dat doel ook op een andere manier te bereiken. Levert dit gesprek onvoldoende resultaat op, dan zal afgewogen moeten worden of een gemeente voldoende aan zijn resultaatsverplichting kan voldoen met een voorziening in natura en of er voldoende doorslaggevende argumenten zijn om te kunnen spreken van een “zwaarwegende reden” geen pgb te verstrekken. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmo zijn als voorbeelden genoemd: het niet met geld kunnen omgaan, het hebben van een verslavingsprobleem of zwaarwegende efficiencyoverwegingen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1.2
Uitzonderingen keuzevrijheid
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borsele 2012