In artikel 27 van de Verordening is bepaald wanneer het college een besluit geheel of gedeeltelijk kan intrekken.
Intrekking van een besluit lijkt sterk op beëindiging. Het onderscheid ligt vooral in het moment waarop de effecten van het besluit gaan werken. Bij intrekking is achteraf bezien sprake van een bepaalde periode (in het verleden) waarover geen recht op de voorziening heeft bestaan. In de regel zal het intrekken van een voorziening terugwerkende kracht hebben en het beëindigen van een voorziening niet. Een voorziening intrekken met terugwerkende kracht kan slechts in een beperkt aantal gevallen gebeuren, omdat rekening moet worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel.
Intrekking is een bevoegdheid van de gemeente. Echter, indien de intrekking ertoe leidt dat de belanghebbende niet langer wordt gecompenseerd in de door hem ondervonden beperkingen, is sprake van strijd met artikel 4, lid 1 Wmo. Het college moet, voordat besloten wordt tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te worden gecompenseerd in zijn beperkingen zwaar dient te wegen.
Om te voldoen aan het vereiste van belangenafweging (artikel 3:4 Awb) en het vereiste van zorgvuldige voorbereiding van het intrekkingsbesluit (artikel 2.5.2) dient in het intrekkingsbesluit uitdrukkelijk vermeld te worden dat al dan niet is gebleken van specifieke omstandigheden die ertoe nopen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. (De gemeente kan hier nader beleid op formuleren).
Intrekking heeft in de praktijk vooral betrekking op financiële tegemoetkomingen en periodiek uitgekeerde pgb's. Daarom zal bij een intrekking vaak aanleiding zijn over te gaan tot terugvordering (zie paragraaf 2.5.4).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.5.2
Intrekking
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borsele 2012