Onder de AWBZ en ook vanaf de invoering van de Wmo is hierbij altijd gewerkt met normtijden. De normtijden zijn tot stand gekomen door overleg tussen de instellingen voor thuiszorg en de indicatieorganen. Daarbij wordt uitgegaan van individuele werkenden. Deze normering is nodig om een uitgangspunt te hebben en (eindeloze) discussie te voorkomen over de benodigde tijd voor activiteiten (zie 4.6). De Centrale Raad is van mening dat dit systeem als uitgangspunt van te verlenen hulp gebruikt kan worden.
Daarbij worden de normen aangelegd zoals die op de dag van vandaag in Nederland gelden. Met andere woorden: was het vroeger normaal dat elke dag het toilet werd schoongemaakt en dat elke dag de stofzuiger door het huis ging, tegenwoordig is dat niet meer zo en daarom wordt van huidige normen uitgegaan. Er zijn modernere middelen waardoor schoonmaken anders kan gebeuren.
In bijzondere situaties kan gemotiveerd altijd naar boven of naar beneden worden afgeweken, mits aan de resultaatsverplichting voldaan wordt: de hulp moet leiden tot een schoon huis, schone kleding, (indien van toepassing) beschikbare maaltijden enz.
Het is niet zo dat onbeperkt aan allerlei eisen tegemoetgekomen kan worden. Aan welke eisen wel tegemoet gekomen wordt is een individuele afweging. Uitgangspunt is daarbij een “gemiddelde situatie”. Dit wil zeggen dat woningen die veel groter zijn dan woningen in de sociale woningbouw over het algemeen niet per definitie volledig vallen onder de compensatieplicht. In een individuele beoordeling zal afgewogen moeten worden of bijvoorbeeld niet gebruikte ruimten of ruimten die niet noodzakelijkerwijs gebruikt hoeven te worden mee moeten worden genomen in de bepaling van de omvang van de noodzakelijke hulp/zorg. Daar staat tegenover dat zeer kleine woningen tot een reductie van tijd kunnen leiden.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2.1
Omvang van de hulp bij het huishouden
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borsele 2012